De grote werkwoorden vervoegen quiz

Quizvragen voor 'Werkwoorden vervoegen'

Beschikbaar vanaf: 22-07-2008
Laatst gespeeld op: 31-01-2023
Vul in: Bert ... over een uitstekende wortel. (vallen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
valt
viel
was gevallen
valde
Vul in: Nadat ze alles had ..., ... ze het in de kast. (strijken, voltooid deelwoord; leggen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
gestrijkt, legt
gestreken, legt
gestreken, legde
gestrijkt, legde
Vul in: Zij ... alles ... . (weggeven, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
zullen ... weggeven
geven ... weg
hebben ... weggegeven
Gaven ... weg
geefden ... weg
Vul in: Jelle ... het geld naar de bank. (brengen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
brachtte
brengt
bracht
brengde
Vul in: Julia ... uren op de bus, maar ze kwam niet opdagen. (wachten, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
wachtte
wocht
wachte
wachtete
wiecht
Vul in: Hij ... zijn ticketje al ... . (wegwerpen, voltooid verleden tijd) opzoeken
had ... weggegooid
had ... weggewerpt
had ... weggeworpen
wierp ... weg
Vul in: Hij ... nog om, maar het was al te laat. (kijken, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
zag
keek
kijkt
kiekte
kijkte
Vul in: Ik heb gisteren ... . (sms'en, voltooid tegenwoordige tijd) opzoeken
ge-smst
ge-sms't
gesmst
gesms't
ge-sms't
Vul in: Joke en Fred ... een club voor fietsers. (stichten, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
stochten
stichtte
stichten
stichte
stichtten
Vul in: Omdat hij niet ... wat een palindroom is, ... hij het nu even. (weten, onvoltooid verleden tijd; googelen, onvoltooid tegenwoordige tijd) opzoeken
weet ... googelet
wist .... googeld
weet ... googelt
wist ... googeled
wist ... googelt