De grote werkwoorden vervoegen quiz

Quizvragen voor 'Werkwoorden vervoegen'

Beschikbaar vanaf: 22-07-2008
Laatst gespeeld op: 10-12-2019
Vul in: Hij ... alle appels ... . (uitdelen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
deelde ... uit
had ... uitgedeeld
deelt ... uit
had ... uitgedeelt
Vul in: Bert ... over een uitstekende wortel. (vallen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
viel
was gevallen
valt
valde
Vul in: Omdat hij niet ... wat een palindroom is, ... hij het nu even. (weten, onvoltooid verleden tijd; googelen, onvoltooid tegenwoordige tijd) opzoeken
wist ... googeled
wist ... googelt
wist .... googeld
weet ... googelet
weet ... googelt
Vul in: Julia ... uren op de bus, maar ze kwam niet opdagen. (wachten, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
wocht
wachte
wachtte
wiecht
wachtete
Vul in: Nadat ze alles had ..., ... ze het in de kast. (strijken, voltooid deelwoord; leggen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
gestreken, legt
gestreken, legde
gestrijkt, legt
gestrijkt, legde
Vul in: Hij ... nog om, maar het was al te laat. (kijken, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
keek
zag
kijkt
kiekte
kijkte
Vul in: Hij ... zijn ticketje al ... . (wegwerpen, voltooid verleden tijd) opzoeken
had ... weggewerpt
had ... weggegooid
had ... weggeworpen
wierp ... weg
Vul in: Ik heb gisteren ... . (sms'en, voltooid tegenwoordige tijd) opzoeken
gesms't
ge-sms't
ge-sms't
ge-smst
gesmst
Vul in: Jelle ... het geld naar de bank. (brengen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
bracht
brachtte
brengt
brengde
Vul in: Zij ... alles ... . (weggeven, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
Gaven ... weg
geefden ... weg
hebben ... weggegeven
geven ... weg
zullen ... weggeven