De grote werkwoorden vervoegen quiz

Quizvragen voor 'Werkwoorden vervoegen'

Beschikbaar vanaf: 22-07-2008
Laatst gespeeld op: 26-09-2022
Vul in: Hij ... alle appels ... . (uitdelen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
had ... uitgedeelt
had ... uitgedeeld
deelde ... uit
deelt ... uit
Vul in: Julia ... uren op de bus, maar ze kwam niet opdagen. (wachten, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
wachtete
wiecht
wocht
wachte
wachtte
Vul in: Hij ... nog om, maar het was al te laat. (kijken, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
kijkt
kijkte
kiekte
zag
keek
Vul in: Hij ... zijn ticketje al ... . (wegwerpen, voltooid verleden tijd) opzoeken
wierp ... weg
had ... weggeworpen
had ... weggewerpt
had ... weggegooid
Vul in: Bert ... over een uitstekende wortel. (vallen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
valde
valt
viel
was gevallen
Vul in: Jelle ... het geld naar de bank. (brengen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
brengt
bracht
brengde
brachtte
Vul in: Joke en Fred ... een club voor fietsers. (stichten, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
stochten
stichtte
stichten
stichte
stichtten
Vul in: Nadat ze alles had ..., ... ze het in de kast. (strijken, voltooid deelwoord; leggen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
gestreken, legde
gestreken, legt
gestrijkt, legt
gestrijkt, legde
Vul in: Ik heb gisteren ... . (sms'en, voltooid tegenwoordige tijd) opzoeken
ge-sms't
gesms't
ge-sms't
ge-smst
gesmst
Vul in: Zij ... alles ... . (weggeven, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
geven ... weg
geefden ... weg
hebben ... weggegeven
zullen ... weggeven
Gaven ... weg