De grote werkwoorden vervoegen quiz

Quizvragen voor 'Werkwoorden vervoegen'
Beschikbaar vanaf: 22-07-2008
Laatst gespeeld op: 21-11-2018
Vul in: Hij ... nog om, maar het was al te laat. (kijken, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
keek
zag
kijkte
kiekte
kijkt
Vul in: Hij ... alle appels ... . (uitdelen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
had ... uitgedeelt
deelt ... uit
deelde ... uit
had ... uitgedeeld
Vul in: Jelle ... het geld naar de bank. (brengen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
brengde
brengt
bracht
brachtte
Vul in: Hij ... zijn ticketje al ... . (wegwerpen, voltooid verleden tijd) opzoeken
had ... weggegooid
had ... weggewerpt
had ... weggeworpen
wierp ... weg
Vul in: Julia ... uren op de bus, maar ze kwam niet opdagen. (wachten, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
wiecht
wachtte
wachte
wocht
wachtete
Vul in: Omdat hij niet ... wat een palindroom is, ... hij het nu even. (weten, onvoltooid verleden tijd; googelen, onvoltooid tegenwoordige tijd) opzoeken
wist ... googeled
wist ... googelt
wist .... googeld
weet ... googelt
weet ... googelet
Vul in: Joke en Fred ... een club voor fietsers. (stichten, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
stichten
stichtten
stichte
stochten
stichtte
Vul in: Zij ... alles ... . (weggeven, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
hebben ... weggegeven
geven ... weg
zullen ... weggeven
geefden ... weg
Gaven ... weg
Vul in: Bert ... over een uitstekende wortel. (vallen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
was gevallen
valde
valt
viel
Vul in: Ik heb gisteren ... . (sms'en, voltooid tegenwoordige tijd) opzoeken
gesms't
gesmst
ge-sms't
ge-sms't
ge-smst