De grote werkwoorden vervoegen quiz

Quizvragen voor 'Werkwoorden vervoegen'

Beschikbaar vanaf: 22-07-2008
Laatst gespeeld op: 04-12-2020
Vul in: Bert ... over een uitstekende wortel. (vallen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
valde
valt
viel
was gevallen
Vul in: Hij ... nog om, maar het was al te laat. (kijken, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
zag
kiekte
kijkte
kijkt
keek
Vul in: Hij ... alle appels ... . (uitdelen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
deelde ... uit
had ... uitgedeelt
had ... uitgedeeld
deelt ... uit
Vul in: Nadat ze alles had ..., ... ze het in de kast. (strijken, voltooid deelwoord; leggen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
gestreken, legde
gestreken, legt
gestrijkt, legt
gestrijkt, legde
Vul in: Hij ... zijn ticketje al ... . (wegwerpen, voltooid verleden tijd) opzoeken
had ... weggeworpen
had ... weggewerpt
wierp ... weg
had ... weggegooid
Vul in: Julia ... uren op de bus, maar ze kwam niet opdagen. (wachten, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
wachte
wachtete
wiecht
wocht
wachtte
Vul in: Zij ... alles ... . (weggeven, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
Gaven ... weg
hebben ... weggegeven
zullen ... weggeven
geefden ... weg
geven ... weg
Vul in: Ik heb gisteren ... . (sms'en, voltooid tegenwoordige tijd) opzoeken
ge-sms't
gesms't
gesmst
ge-smst
ge-sms't
Vul in: Omdat hij niet ... wat een palindroom is, ... hij het nu even. (weten, onvoltooid verleden tijd; googelen, onvoltooid tegenwoordige tijd) opzoeken
wist ... googeled
weet ... googelt
wist ... googelt
weet ... googelet
wist .... googeld
Vul in: Joke en Fred ... een club voor fietsers. (stichten, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
stichtten
stochten
stichtte
stichte
stichten