De grote werkwoorden vervoegen quiz

Quizvragen voor 'Werkwoorden vervoegen'

Beschikbaar vanaf: 22-07-2008
Laatst gespeeld op: 21-01-2019
Vul in: Zij ... alles ... . (weggeven, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
Gaven ... weg
geefden ... weg
zullen ... weggeven
hebben ... weggegeven
geven ... weg
Vul in: Hij ... zijn ticketje al ... . (wegwerpen, voltooid verleden tijd) opzoeken
had ... weggegooid
had ... weggeworpen
had ... weggewerpt
wierp ... weg
Vul in: Ik heb gisteren ... . (sms'en, voltooid tegenwoordige tijd) opzoeken
ge-sms't
gesms't
gesmst
ge-smst
ge-sms't
Vul in: Bert ... over een uitstekende wortel. (vallen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
valde
viel
valt
was gevallen
Vul in: Jelle ... het geld naar de bank. (brengen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
brengde
brengt
bracht
brachtte
Vul in: Omdat hij niet ... wat een palindroom is, ... hij het nu even. (weten, onvoltooid verleden tijd; googelen, onvoltooid tegenwoordige tijd) opzoeken
wist ... googeled
weet ... googelt
wist ... googelt
weet ... googelet
wist .... googeld
Vul in: Nadat ze alles had ..., ... ze het in de kast. (strijken, voltooid deelwoord; leggen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
gestreken, legde
gestrijkt, legt
gestreken, legt
gestrijkt, legde
Vul in: Hij ... nog om, maar het was al te laat. (kijken, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
zag
kiekte
keek
kijkte
kijkt
Vul in: Joke en Fred ... een club voor fietsers. (stichten, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
stichtten
stichten
stichtte
stochten
stichte
Vul in: Hij ... alle appels ... . (uitdelen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
had ... uitgedeelt
deelde ... uit
deelt ... uit
had ... uitgedeeld