De grote werkwoorden vervoegen quiz

Quizvragen voor 'Werkwoorden vervoegen'

Beschikbaar vanaf: 22-07-2008
Laatst gespeeld op: 08-07-2020
Vul in: Joke en Fred ... een club voor fietsers. (stichten, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
stichte
stochten
stichtte
stichtten
stichten
Vul in: Bert ... over een uitstekende wortel. (vallen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
was gevallen
viel
valde
valt
Vul in: Hij ... alle appels ... . (uitdelen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
had ... uitgedeeld
deelde ... uit
deelt ... uit
had ... uitgedeelt
Vul in: Ik heb gisteren ... . (sms'en, voltooid tegenwoordige tijd) opzoeken
gesms't
ge-sms't
ge-sms't
gesmst
ge-smst
Vul in: Zij ... alles ... . (weggeven, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
geefden ... weg
Gaven ... weg
geven ... weg
hebben ... weggegeven
zullen ... weggeven
Vul in: Nadat ze alles had ..., ... ze het in de kast. (strijken, voltooid deelwoord; leggen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
gestreken, legde
gestreken, legt
gestrijkt, legde
gestrijkt, legt
Vul in: Julia ... uren op de bus, maar ze kwam niet opdagen. (wachten, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
wocht
wachte
wiecht
wachtete
wachtte
Vul in: Jelle ... het geld naar de bank. (brengen, onvoltooid verleden tijd) opzoeken
brengt
brengde
bracht
brachtte
Vul in: Hij ... zijn ticketje al ... . (wegwerpen, voltooid verleden tijd) opzoeken
had ... weggewerpt
had ... weggegooid
wierp ... weg
had ... weggeworpen
Vul in: Omdat hij niet ... wat een palindroom is, ... hij het nu even. (weten, onvoltooid verleden tijd; googelen, onvoltooid tegenwoordige tijd) opzoeken
weet ... googelet
wist .... googeld
wist ... googeled
weet ... googelt
wist ... googelt